Dromen over Frankrijk

In goed vertrouwen

In februari vertrok ik voor een lang weekend alleen naar Terschelling. Eerder had ik het idee om naar een klooster te gaan. Maar ik had vooral behoefte aan ongestoord boeken lezen, wandelen, schrijven en nadenken. Toen ik een wit strandhotel op Terschelling vond, in de kam van een duin, was de keus snel gemaakt.

Zaterdag 16 februari – Naar Terschelling
Aan de ober in het restaurantje met de rood-wit geblokte tafelkleden, vraag ik of Rederij Doeksen inderdaad Rederij Doeksen is. Ik wijs naar een gebouw in de haven van Harlingen dat er duidelijk uitziet als een terminal. Ik zoek blijkbaar bevestiging nu ik alleen aan mijn trip naar Terschelling begin. Binnen drie kwartier brengt de sneldienst mij naar het eiland. Daar huur ik een fiets.

In het restaurant, tevens huiskamer, van het door zeewind verweerde, witte hotel kijk ik uit over zee. Leren banken staan rond een grote houtkachel, in oude koffers liggen tijdschriften. Op de mahoniehouten tafels staan kaarsen en rozen in smalle vazen, oude posters uit de scheepvaart hangen aan de muren. Het is er gezellig, kleurrijk, romantisch. De slaapkamers zijn sober maar sfeervol ingericht. Douche en toilet deel ik met mijn ganggenoten. ‘It is well with my soul’ staat er op de poster boven mijn bed. Toch een beetje in de kloostersferen.

De medewerkers geven mij een plek aan het raam om te dineren, naast de boekenkast, met uitzicht op zee. Al snel valt de avond en kijk ik naar mijn eigen eenzaamheid in het spiegelend raam. Ik vraag mij af of de mensen om mij heen denken dat ik hun gesprek afluister omdat ik alleen ben. Dat klopt namelijk. ‘Als jij voor je werk weg bent, eet je dan ook alleen? Zit je dan ook een beetje rond te kijken?’ vraagt de vrouw met de gele blouse aan haar zwijgzame tafelgenoot. ‘Nou, proost dan maar op je 65ste verjaardag!’ hoor ik een vrouw achter mij roepen. ‘55ste’, bromt een man waarop een stilte volgt. Het Duitse stel naast mij wenst mij in het Nederlands eet smakelijk, wat ik dubbel lief vind. ‘De laatste tijd gaan er veel mensen dood.’ zegt de vrouw met de gele blouse en ze prikt in de zeebaars op haar bord.

Zondag 18 februari – Wilde paarden
Wanneer i
k wakker word, schijnt de zon op de muur. Het is net acht uur geweest. Even overweeg ik om verder te slapen, maar ik zie door het raam de duinen uitnodigend afsteken tegen de blauwe lucht. Het is ongewoon warm voor de tijd van het jaar, ik geniet er maar van.

Ik kijk uit over zee. Ik ben alleen en dat voelt fijn. Ik verzink in gedachten want niets en niemand vraagt mijn aandacht. De kleuren om mij heen zijn zachtgeel, grijsblauw en alle tinten bruin. Een meeuw staat roerloos op één poot in de branding.
Dan besluit ik om met rammelende schelpen in mijn jaszak door de duinen richting het bos te wandelen. Ik hoef op niemand te wachten en mij voor niemand te haasten. Op de kam van een duin verschijnen plotseling drie wilde paarden. Het zonlicht schittert in hun manen en in de wolkjes warme adem.

In het bos hoor ik de wind door de bladeren, het kraken van mijn rugzak en de roep van een buizerd. Ik verdwaal. Na heel veel rondjes spuugt het bos mij uit op een asfaltweg waar een vrouw en vier honden wandelen. Aan haar vraag ik de weg naar Formerum.
‘Heel makkelijk. Daar rechts en dan de eerste links en je bent er. Het is onmogelijk om de verdwalen op Terschelling.’ lacht ze. ‘Haha’ lach ik mee. De barvrouw in het Wrakkenmuseum in Formerum zegt na mijn betaling van de toegang dat ik heel de week mag terugkomen. ‘Heb ik dan geen kaartje nodig?’ vraag ik. ‘Nee hoor, dat gaat hier in goed vertrouwen.’ zegt ze. Ik denk aan de hotelmedewerkster die geamuseerd lachte toen ik vroeg of mijn fiets ’s nachts wel veilig stond onderaan de duin. ‘Met die fiets gebeurt niks’ zei ze. En aan de verkoopster van de Broodwinkel die niet controleerde of ik inderdaad één gevulde koek in het zakje had gedaan. In het Wrakkenmuseum was ik vier jaar geleden ook. Een uniek, persoonlijk, humoristisch, interessant museum over alles wat door de jaren heen is aangespoeld op Terschelling. Met mooie verhalen erbij, handgeschreven. Het stemt me ook droevig en bezorgd dat het meer regel dan uitzondering is: containers die overboord slaan waarvan maar een klein deel aanspoelt op de kusten. De rest blijft achter op de zeebodem. In cafe ‘De rustende jager’ voel ik de Westmalle door mijn vermoeide benen trekken. Op een grote tafel liggen spelletjes. Dat wordt op het wensenlijstje in mijn hoofd genoteerd voor onze berghut ooit in Frankrijk.

Naar het diner, ‘s avonds in het hotel, neem ik een boek mee waar ik mij tussen de gangen door in verdiep. Dat voelt opeens anders, niet alleen. Het valt mij op dat ik het eten beter proef.

Maandag 19 februari – Zonsopkomst
De wekker gaat om zeven uur. Blijkbaar heb ik geen moeite met vroeg opstaan als het zonnig is en er geen verplichtingen zijn. Ik klim bovenop de hoogste duin en zie de zon opkomen. Een zonsopkomst is vol belofte: we zijn er nog, het leven gaat door en we mogen opnieuw beginnen. Het is betoverend mooi. Onder mij zie ik een groepje jagers het pad aflopen, geweren bungelend over hun schouders. Bij het zien van de rode, rijzende zon blijven ze eerbiedig staan. Dan kijken ze omhoog en steken hun hand naar mij op, ten teken dat ze mij niet voor een konijn aanzien. Terug in het hotel smaakt het ontbijt heerlijk.

Ik fiets naar Oosterend in de hoop daar een wandelroute op te pikken door natuurgebied de Boschplaat. Ik rijd langs duinen en dorpjes. De traditionele huizen zijn klein en laag bij de grond. Ik denk dat hier al eeuwen een volk woont met een vrije geest, dat weinig meer wenst dan de ruimte om te leven. De kinderen van het eiland spelen onbevangen en vrij. Ik besef dat ik wil blijven knokken voor de manier waarop we nu leven: klein maar met de buitenruimte voor onze kinderen om te struinen, te avonturieren, vrij te zijn.

’S avonds, het is rustig in het hotel, waait de wind vanuit het donker een jongeman naar binnen. Hij draagt een gele jas en een baard en vraagt of hij een hapje kan eten. Hij is alleen en daar is hij overduidelijk heel oké mee. Hij eet met smaak, kijkt ondertussen geïnteresseerd rond, maakt een praatje met de ober of leest in een tijdschrift.

Dinsdag 20 februari – Weer weg gaan
Dag van vertrek. Het weer is omgeslagen en daarom besluit ik om niet langs de kust naar de haven te fietsen, waar regen en wind vrij spel hebben. Maar rechtstreeks naar de hoofdweg waar dorpen en bosrand enigszins beschutting geven. Het wordt een onaangename fietstocht met een zware rugzak, vergeten handschoenen en de kerktoren van West-Terschelling die maar niet dichterbij komt. Na het inleveren van mijn fiets sluit ik mijn verblijf in stijl af met koffie en cheesecake in een tentje bij de haven met een panorama op zee.

Op het schip Ms Friesland richting het vaste land overdenk ik mijn dagen. Ik meende te merken dat mensen soms wat ongerust reageerden op mijn weekend alleen. Alsof je als moeder meer uit te leggen hebt. Alsof er een relatiecrisis of dreigende mentale inzinking aan ten grondslag moet liggen. Maar ik kwam niet voor het diep graven in mijzelf, voor vernieuwende inzichten of hoognodige rust.
Ik kwam om even te doen waar ik zelf zin in had: wandelen in de zon, schrijven en lezen voornamelijk. Ik kwam voor de opkomende zon, voor het alleen zijn met de zee in melkwitte avondmist. Voor de regenboog die met twee kanten het eiland raakte en voor de eilanders die leven in goed vertrouwen.